Uit Net NL: Van NIMBY naar PIMBY

Uit Net NL: Van NIMBY naar PIMBY

“De gang naar de Raad van State hoort er gewoon bij”, verzuchtte een energieprofessional ooit tegen Net NL. “Dat is tijdrovend, maar onvermijdelijk.” Jarenlang was hij niet de enige die zo dacht over draagvlak voor nieuwe energie-installaties – of liever gezegd: het gebrek daaraan. Maar er is een kentering gaande.

Een zonnepark vestigen zonder één enkel bezwaarschrift? Pal naast een woonwijk nog wel? De initiatiefnemers van solarpark De Kwekerij in het Gelderse Hengelo hebben bewezen dat het kan. Bijzonder, want vaak steekt een storm van protest op zodra omwonenden lucht krijgen van plannen voor zonneparken of windturbines in hun directe omgeving. Er zijn legio voorbeelden van bewonersprotesten die de afgelopen jaren de landelijke pers haalden. Van de opstandige Urkers die zich (tevergeefs) verzetten tegen de vestiging van windpark Westermeerwind tot de Katwijkers die te hoop liepen tegen een offshore windpark voor ‘hun’ kust, en recent de bij de Raad van State procederende Groningers die het geplande zonnepark Midden Groningen níet in hun achtertuin willen. Het NIMBY-effect (‘not in my backyard’) doet zich in heel Nederland voor, en niet alleen bij grootschalige energie-installaties. Ook als je maar één windturbine wil plaatsen, moet je terdege rekening houden met petities, actiecomités en bezwaarschriften.

PIMBY-pioniers

 Dat NIMBY-effect werd lange tijd gezien als soort natuurverschijnsel bij de ontwikkeling van energie-installaties: niet altijd prettig, maar je kunt er niets aan veranderen. Toch zijn er al langer signalen dat het ook anders kan. In 2010 bijvoorbeeld nam Eneco in Scheveningen een oude en vrijwel afgeschreven windturbine opnieuw in gebruik, juist op aandringen van de omwonenden. Die staken zelfs geld in de renovatie, in de vorm van participaties. In ruil daarvoor kregen ze korting op hun energierekening. Dankzij de inspanningen van de bewoners werd de levensduur van de Duinvogel, de naam die ze ‘hun’ windmolen hadden gegeven, met nog vier jaar verlengd. In 2014 viel het doek voor de inmiddels 16-jarige turbine; de onderhoudskosten werden te hoog om nog rendabel te zijn. Maar dit Scheveningse initiatief heeft tot op de dag van vandaag impact. Niet alleen omdat de bewoners de grondleggers waren van een van de eerste lokale energiecoöperaties in Nederland, Vogelwijk Energie(k), maar ook omdat ze lieten zien dat het geen utopie is: het PIMBY-effect, ‘please in my backyard’.

Tempo maken

Hoewel er inmiddels meer voorbeelden zijn van duurzame energie-installaties waarbij het PIMBY-effect zich voordoet – het eerder genoemde Hengelose zonnepark was begin deze maand zelfs uitverkoren als decor voor een tweedaags openlucht pop-up restaurant  is lokaal draagvlak nog altijd een heikel punt in de verduurzaming van het energiesysteem. Niet alleen ontwikkelaars van bijvoorbeeld zonne- of windparken worden ermee geconfronteerd, ook voor netbeheerders is draagvlak een factor van belang. Er zijn maar weinig mensen die direct staan te juichen als in hun woonomgeving een transformatorstation moet worden uitgebreid of een nieuwe netverbinding nodig is. Nederland kent weliswaar al een paar jaar de Rijkscoördinatieregeling voor ‘projecten van nationaal belang’ (waaronder een aantal cruciale netuitbreidingen en -aanpassingen vallen), maar ook binnen die ‘spoedprocedure’ maakt het voor de voortgang nogal wat verschil of er nul zienswijzes en bezwaarschriften worden ingediend of juist tientallen. Verder vallen lang niet alle netaanpassingen onder de Rijkscoördinatieregeling. Daarom geldt voor netbeheerders eigenlijk hetzelfde als voor de initiatiefnemers van duurzame energie-installaties: het is een must om te investeren in draagvlak. Uit gezond eigenbelang, maar óók omdat snelheid geboden is bij de energietransitie. Draagvlak creëren is geen ‘linkse hobby’, maar keiharde noodzaak om tempo te kunnen maken met de verduurzaming van het energiesysteem.

Juiste moment en manier

De grote vraag is natuurlijk hoe dat draagvlak bewerkstelligd kan worden. Dat is precies waar de Green Deal ‘Participatie van de omgeving bij duurzame energieprojecten’ om draait, die eind maart door 27 partijen werd ondertekend – waaronder Netbeheer Nederland. Andere ondertekenaars zijn natuur- en milieuorganisaties, landelijke en decentrale overheden, branche-organisaties uit de duurzame energiesector, agrarische sector, de banksector en belangenverenigingen voor burgers en omwonenden, zoals de Nederlandse Vereniging Omwonenden Windturbines. Alle 27 ondertekenaars hebben afgesproken om kennis en ervaringen te delen om de participatieprocessen bij duurzame energieprojecten beter vorm te geven. Op die manier moet de Green Deal helpen om omwonenden en andere belanghebbenden op het juiste moment en op de juiste manier bij de energietransitie te betrekken.

Successen en fiasco’s

Natuurlijk is deze Green Deal niet de eerste keer dat wordt nagedacht en gesproken over wat ‘het juiste moment en de juiste manier’ is om draagvlak te creëren voor (veranderingen door) de energietransitie. Het Planbureau voor de Leefomgeving is er bijvoorbeeld al een tijdje mee bezig en ook praktijkmensen kijken nadrukkelijk naar successen en fiasco’s uit het verleden om lering uit te trekken. Een van die lessen is dat: uit het oogpunt van draagvlak loont om win-winsituaties te creëren waarvan ook de omwonenden profiteren. Kijk maar naar de succesverhalen van de Scheveningse windmolen en het Achterhoekse zonnepark: zou het enthousiasme van de omwonenden even groot geweest zijn als ze niet konden profiteren van een lagere energierekening, duurzame energie en, in het Hengelose geval, een mooi park waarin toevallig ook zevenduizend zonnepanelen staan?

Een ander leerpunt uit het verleden is hoe belangrijk het is om te voorkomen dat spookbeelden de dialoog gaan domineren. Discussies over (on)realistische verwachtingen hebben de laatste jaren heel wat tijd en energie gekost: zijn die offshore windparken echt zo zichtbaar vanaf de kust, geeft dat zonnepark echt zo veel reflectie, steekt die standalone windturbine echt zo ver uit boven alle bebouwing in de wijde omtrek? Verschillende IT-bedrijven zijn daar handig op ingesprongen en maken inmiddels hyperrealistische visualisaties waarmee energie-ontwikkelaars omwonenden en andere belanghebbenden een goed beeld kunnen schetsen van de impact op hun woonomgeving (zie kader). Die visualisaties helpen om een betere basis neer te leggen voor een constructieve dialoog. Of om in ieder geval een halt toe te roepen aan ‘het demoniseren van de visuele impact van energietransitie, door overdrijving van aantallen en schaalgrootte’, zoals Eric Frijters het noemt, lector Lokale en Regionale Ontwerpopgaven aan de Academie van Bouwkunst.

‘De ruimtelijke impact van energietransitie is geen ongewenste intimiteit in het aantasten van het landschap’

Ruimtelijke inpassing

Naast de feitelijke aspecten – hoe groot, waar precies, hoeveel impact op de omgeving – is ook de ruimtelijke inpassing van energie-installaties een belangrijke factor voor draagvlak. Op dit moment verkennen overheden (Rijk, provincies, regio’s, gemeenten) op verschillende schaalniveaus de mogelijkheden voor de ruimtelijke inpassing van de opwekking, transport en opslag van hernieuwbare energie. Daarbij ligt altijd het risico van smaakdiscussies op de loer: wanneer is de ruimtelijke inpassing van energie-installaties wel of niet geslaagd? En is het niet gewoon een kwestie van wennen? Sven Stremke, hoogleraar landschapsarchitectuur aan de Wageningen Universiteit, wees er in Net NL al eerder op dat de invloed van energiegebruik op ons landschap geen nieuw fenomeen is – denk maar aan de bergen mijnafval in Limburg en de veenontginning in vele delen van het land. Ontwerplector Eric Frijters heeft een vergelijkbare boodschap: “De ruimtelijke impact van de energietransitie is geen ongewenste intimiteit in het aantasten van het landschap. Eerder vormt het ‘de nieuwe normaal’, die een vanzelfsprekende nieuwe cultuurhistorische laag in het Nederlandse landschap aanbrengt.”

‘De reflex is vaak om met nóg meer informatie te komen, maar dat neemt het gedoe niet weg’

Sociale transformatie

Het gaat kortom niet alleen om de harde feiten; beleving speelt ook een belangrijke rol bij draagvlak voor veranderingen die te maken hebben met de energietransitie. Iemand die veel weet van die ‘zachte factoren’, is gedragswetenschapper Reint Jan Renes. Tijdens de april-editie van het maandelijkse Atriumcongres van de VNG had hij een helder advies om het draagvlak voor de energietransitie te vergroten: “Maak het mensen niet te moeilijk en help hen met het gedoe.” Want de energie­transitie maakt niet ineens alles leuker, legde hij uit, mensen ervaren vooral eerst gedoe: we moeten van het gas af, landschappen veranderen door de komst van wind- en zonneparken, iedereen moet nadenken over isolatie van z’n woning. Dat brengt druk met zich mee. En wat doet het menselijk brein als we het gevoel hebben onder druk te staan? Het zoekt de makkelijkste weg om onder die druk uit te komen: simpelweg even niets doen, of vasthouden aan het bekende – en vooral níet de verandering omarmen die deze druk met zich meebrengt. Volgens Renes wordt in de energietransitie nog veel te weinig rekening gehouden met dat mechanisme. “De reflex is vaak om met nóg meer informatie te komen: ‘we leggen nog één keer uit hoe belangrijk het is’. Maar dat neemt het gedoe niet weg en leidt alleen maar tot meer druk en frustratie. Ook gaat het voorbij aan het feit dat mensen maar beperkt rationeel handelen.” Wat volgens Renes wel effectief is: er nadrukkelijk rekening mee houden dat de energietransitie niet alleen een kwestie is van kennis, techniek en geld. “Het is ook een sociale transformatie, die iedere burger raakt in aspecten van zijn leven waar hij comfort en zekerheid gewend is. Speel daar nadrukkelijker op in.”

Aanmelden NetNL

Graag wil ik het magazine Net NL ontvangen op het volgende adres: