Uit Net NL#34: Hakken uit het zand

Energieverzet. Naarmate de RES’en concreter worden, lijkt ook de weerstand toe te nemen – en niet alléén tegen windturbines. Hoe moet dat als straks een op de drie straten in Nederland op de schop moet om de energie-infrastructuur aan te passen? Werken de netbeheerders dan tussen de protestborden en boze buurtbewoners, of is er nog harmonie te vinden in de energietransitie?  

Uit Net NL#34: Hakken uit het zand

Geen nieuwe biomassacentrales. Geen nieuwe kerncentrales. Geen zonnepanelen op landbouwgrond. Geen windturbines bij natuurgebieden. Geen netverbinding over Schiermonnikoog. Geen trafostation in Rozenburg. En al helemáál geen windpark bij Amsterdam IJburg natuurlijk!

Wie de protesten tegen energie-initiatieven op een rijtje zet – het lijstje is veel langer – kan tot de conclusie komen dat de energietransitie op weinig draagvlak kan rekenen in Nederland. Toch is dat níet zo. Volgens de SCP-studie ‘De energietransitie vanuit burgerperspectief’ (2020) vindt ruim driekwart van de Nederlanders een omschakeling van fossiele brandstoffen naar groene energie belangrijk. Een vergelijkbaar beeld schetst de begin juni verschenen CBS-rapportage over opvattingen en gedrag rond klimaatverandering en energietransitie. De CBS-ondervraagden vinden dat Nederland méér moet inzetten op zonne-energie (83%), windenergie (72,5%) waterkracht (67,9%) en aardwarmte (56,3%). Ter vergelijking: bij aardgas ligt dat percentage op 6,7% en steenkool en aardolie op 0.

Het meren-deel van de mensen is niet tegen, maar juist vóór iets: behoud van hun geliefde landschap, gezondheid, nachtrust, autonomie. Als je dat als uitgangspunt neemt, heb je een heel ander gesprek

Paradox

Steun voor de doelen van de energietransitie is er dus wel. Hoe kan het dan dat momenteel tegelijkertijd de protesten toenemen? Veel mensen schrijven die paradox toe aan het NIMBY-effect: wél de transitie steunen, totdat je er in je eigen achtertuin iets van merkt. Die verklaring klopt hooguit ten dele, toont het CBS-rapport. Gevraagd naar de bouw van nieuwe windmolens in Nederland, is 71% vóór en slechts 14% tegen. Gaat het om windmolens in de eigen woonomgeving, dan is het aandeel tegenstanders ineens meer dan twee keer zo groot: 31%. Aha, NIMBY? Niet als je het vanuit een ander perspectief bekijkt: ruim twee derde is níet zonder meer tegen windmolens in de eigen woonomgeving. En bijna de helft (43%) van de CBS-ondervraagden zegt ‘dat het ervan afhangt’ of ze voor of tegen windmolens in hun buurt zijn. En dát, vindt omgevingsmanagement-expert Thijs Kraassenberg, is de crux: “Als we als maatschappij willen dat de energietransitie doorgaat op de schaal zoals we hadden bedacht, dan moeten we zorgen dat we er de juiste condities voor creëren.” Welke condities de transitie acceptabel maken, hangt er volgens hem maar net vanaf. “De energietransitie raakt aan wat mensen belangrijk vinden. Voor sommige mensen is dat het landschap, anderen zijn bezorgd dat hun gezondheid of nachtrust eronder lijdt. Ook verlies van autonomie – dat je niet zelf in de hand hebt wat er in jouw directe leefomgeving gaat gebeuren – speelt mee en kan hevige emoties oproepen. Al die aspecten zijn relevant; er is niet één factor om rekening mee te houden.”

Geen tegen- maar voorstanders

Volgens Kraassenberg is het een denkfout om deze bezorgdheid te beschouwen als tegenstand. “Het merendeel van deze mensen is niet primair tegen, maar juist vóór iets: behoud van hun geliefde landschap, gezondheid, nachtrust, autonomie. Als je dat als uitgangspunt neemt en laat blijken dat je oog hebt voor die belangen, heb je een heel ander gesprek.”

Eefje Cuppen, hoogleraar Governance of Sustainability aan de Universiteit Leiden en een van de auteurs van het Brenninkmeijer-rapport over burgerparticipatie (zie kader), zei begin juni iets soortgelijks tijdens een webinar van de Topsector Energie, over ‘Het onderbuikgevoel van de energietransitie’: “Protest, of zelfs een conflict, kan ook iets positiefs betekenen. Het is een bron van informatie over wat voor wie van waarde is. Vaak wordt gedacht dat die waarden heel erg uiteenlopen, maar eigenlijk valt dat wel mee. We willen bijvoorbeeld allemaal graag leven in een schone, eerlijke en rechtvaardige wereld. Alleen moeten er keuzes gemaakt worden om zo’n ideaalbeeld te bereiken. Daar komen altijd trade-offs bij kijken. En daarover verschillen mensen natuurlijk wél van mening.”

Rotte vis of erger

Als de basis goed is, hoeven meningsverschillen geen onoverkomelijk probleem te zijn om toch tot een acceptabele oplossing te komen. Alleen is ‘agree to disagree’ natuurlijk een constructiever vertrekpunt dan elkaar uitmaken voor rotte vis – of erger, zoals een paar jaar geleden in Drenthe en Groningen. Daar ontaardden hoogopgelopen meningsverschillen over windparken in bedreigingen en sabotages, waarvoor de rechter de verdachten later veroordeelde tot celstraffen.

Hoewel bij de huidige energieprotesten de emoties soms ook hoog oplopen, is het volgens Kraassenberg niet gezegd dat ze wéér zo uit de hand lopen. “Escalaties zoals in Drenthe ontstaan pas als bewoners zich zó slecht behandeld voelen dat ze er een rechtvaardiging in zien om zelf ook allerlei grenzen te overschrijden”, duidt hij. “Zo’n groot conflict is ook nooit een gevolg van één ding dat fout is gegaan; het is altijd een optelsom van factoren.” Volgens de omgevings-management-expert is veel ellende te voorkomen door je vooraf héél goed in te leven in de belangen van de andere betrokkenen. “Zorg in een zo vroeg mogelijk stadium voor een goede vertegenwoordiging van mensen die betrokken zijn. Realiseer je dat hun perspectief en het jouwe niet vanzelfsprekend hetzelfde zijn. Politieke inbedding speelt daarbij ook mee. Politici, zowel landelijke als lokale, moeten erop kunnen vertrouwen dat je ook hún belangen scherp in beeld hebt. Beleidsdoelen halen bijvoorbeeld, of burgers ‘mee’ krijgen, misschien wel herkozen worden.”

Kwestie van vertrouwen

Daarnaast weegt transparantie natuurlijk zwaar. “Stiekem doen of informatie achterhouden is zo ongeveer het minst slimme wat je kunt doen. Dat krijg je onherroepelijk keihard terug”, aldus Kraassenberg. Hij betoogt dat draagvlak (of het omgekeerde ervan: weerstand) in essentie neerkomt op vertrouwen. “Zijn mensen ervan overtuigd dat het in orde komt als jij als netbeheerder de boel straks komt opengooien? Laten ze je met een gerust hart de schop in de grond te zetten in hun directe leefomgeving? Of moeten ze nog maar zien of je hun belangen net zo zorgvuldig behartigt als die van jezelf? Om dat vertrouwen te winnen, zijn competenties nodig waarnaar de netbeheerders tien jaar geleden nog niet vroegen in hun sollicitatiegesprekken: inlevingsvermogen, een luisterend oor, tact, de creativiteit om out of the box oplossingen te bedenken.”

Cuppen heeft een soortgelijke boodschap. “Je kunt er allerlei geweldige participatiehand-leidingen en blueprints op loslaten - er zijn er ook al tig ontworpen de laatste jaren – maar uiteindelijk gaat het erom wat iemand in de praktijk dóet. En daarbij geldt: the devil is in the details. In het werkveld van de energietransitie komen gelukkig steeds meer professionals die openstaan voor een diversiteit aan perspectieven, die conflicten níet meteen zien als ‘oh, mensen snappen het niet, we moeten het beter uitleggen en rationaliseren’, maar die begrijpen dat emotionele reacties vaak een teken vormen dat er belangrijke dingen op het spel staan voor de betrokkenen.”

Kop erbij

Of de verdere voortgang van de energietransitie harmonieuzer verloopt of gepaard blíjft gaan met protesten, hangt volgens Cuppen mede samen met hoe de hoofdrolspelers de dialoog met de belanghebbenden aanpakken. “Maken overheden, energieproducenten en netbeheerders er serieus werk van, of laten ze het er ‘even bij’ doen door een communicatiemedewerker?” Ook Kraassenberg hamert erop om genoeg kwaliteit en capaciteit vrij te maken voor ‘zijn’ vakgebied. “Belanghebbenden voelen haarfijn aan als iemand z’n hoofd er niet helemaal bij heeft omdat hij of zij overloopt van het werk. Vul zelf maar in wat dat doet voor het vertrouwen rond een project dat mensen spannend vinden. De faalkans neemt dan enorm toe”, stelt hij. “Ik weet dat de netbeheerders onder enorme tijdsdruk staan en begrijp dat de neiging soms groot is om van deadline naar deadline te werken. Maar toch: zorg al vanaf het allereerste begin van een project voor kwaliteit en leiderschap. Een zorgvuldige voorbereiding betaalt zich gaandeweg ieder project dubbel en dwars terug.”

Aanmelden NetNL

Graag wil ik het magazine Net NL ontvangen op het volgende adres: