Uit Net NL#40: Ontdek je plekje

Om meer ruimte te maken in het stroomnet is vaak ook letterlijk ruimte nodig. In dichtbevolkt Nederland vergt de zoektocht daarnaar een lange adem. Dat moet en kan sneller, vindt ook minister Jetten.

placeholder
Om meer ruimte te maken in het stroomnet is vaak ook letterlijk ruimte nodig. In dichtbevolkt Nederland vergt de zoektocht daarnaar een lange adem. Dat moet en kan sneller, vindt ook minister Jetten.   
02_PLEKJE_nr39_1600x768-513

In het coalitieakkoord is afgesproken dat de regeringspartijen de aanleg van grootschalige groene energie-infrastructuur willen versnellen. Die ambitie bevestigde minister Jetten dit voorjaar in een brief aan de Tweede Kamer. “De energietransitie moet sneller. Deze versnelling is essentieel voor het halen van onze klimaatdoelen”, schreef hij. De minister erkende dat het Rijk daar een belangrijke regierol bij heeft, ook op de ruimtelijke aspecten. Want waar laat Nederland alle installaties die nodig zijn voor de energietransitie? Jetten zegde toe om “maximaal in te zetten op het optimaliseren en beter toepassen van processen en procedures rondom vergunningen en ruimtelijke inpassing.”

 De netbeheerders zijn blij met die toezegging. Daphne Goedhart, manager Ruimtelijke Inpassing bij Liander: “Het helpt zeker dat het belang van een tijdige ruimtelijke inpassing nu steeds meer wordt benadrukt. Als we als netbeheerders sneller over de benodigde locaties kunnen beschikken, dan kunnen we de benodigde tijd voor realisatie van nieuwe elektriciteitsstations sterk verkorten. Momenteel zijn we vaak lang op zoek naar locaties waaraan de betreffende gemeente medewerking wil verlenen. We praten dan over een termijn van gemiddeld vijf à zes jaar, en vervolgens zo’n twee jaar om het station te bouwen.”

Handreiking

Als (meestal) de vergunningverlenende instantie(s) spelen gemeenten en provincies een sleutelrol in de ruimtelijke kant van de energietransitie. Het is allesbehalve hun enige taak, en daarom kondigde het ministerie van Economische Zaken en Klimaat aan verschillende ‘opties ter ondersteuning’ te ontwikkelen. Zo komt er een pool van experts die inzetbaar zijn om grootschalige ruimtelijke inpassingsprocedures tijdig en sneller uit te voeren. Verder stelde TwynstraGudde in opdracht van het ministerie een handreiking op over manieren waarop gemeenten en provincies grond sneller beschikbaar kunnen maken voor de aanleg van grootschalige energie-infrastructuur, zoals elektriciteitsstations. Want, zo motiveerde Jetten, grond moet tijdig beschikbaar zijn om de benodigde energie-infrastructuur aan te leggen. En grond is nou eenmaal een schaars goed in Nederland, dat we bovendien vaak voor verschillende doelen willen gebruiken – bijvoorbeeld voor een miljoen extra woningen of ruim 30.000 hectare nieuw bos.

De betreffende handreiking gaat specifiek over grond die nodig is voor elektriciteitsstations; niet over grond voor bijvoorbeeld kabeltracés. Dergelijke projecten zijn namelijk vaak gemeente- of provinciegrensoverschrijdend en er zijn weer andere beleidsinstrumenten op van toepassing. Maar minister Jetten beloofde dat het Rijk ook daarover in gesprek zal blijven met de medeoverheden, “om te onderzoeken wat nog meer nodig is om actief grondbeleid voor energie-infrastructuur te ondersteunen.”

Slimmere locatiekeuze zonneparken

Ook bij de aanleg van zonneparken speelt dat grond schaars of duur is, of allebei. Mede daardoor zijn veel zonneparken verrezen op plekken die uit netperspectief ongunstig zijn: in relatief afgelegen gebieden, waar de vraag naar stroom gering is en het stroomnet relatief ‘dun’ uitgevoerd. Begin dit jaar riep Enexis daarom op om beter na te denken over de locatie van nieuwe, grootschalige zonneprojecten. “Plaats ze liever in de buurt van bijvoorbeeld industriegebieden of bedrijventerreinen, waar het net toch al uitgebreid wordt vanwege een grote groei in de afname. Wat ons betreft zouden mono-zonneparken niet de driver mogen zijn voor uitbreidingen voor ons toekomstig energiesysteem”, aldus Enexis’ visie.

Gemeentelijke hulp

Ondanks haar afgebakende reikwijdte is de handreiking beslist geen wassen neus. Nederland heeft namelijk héél veel nieuwe transformatorstations en -huisjes nodig. Zo bouwt alleen Liander momenteel al zo’n zestig transformatorhuisjes per week, nog afgezien van de vele grotere projecten – zie de achterpagina van deze NetNL. Hoe soepeler dat proces verloopt, hoe beter. De handreiking heeft daarom de vorm van een soort stappenplan, met een helder overzicht van wie wanneer wat doet en waarvoor verantwoordelijk is in het soms best complexe samenspel tussen gemeente of provincie, de netbeheerder en in een enkel geval ook het Rijk.

De handreiking bevat een aantal belangrijke uitgangspunten, bijvoorbeeld dat de netbeheerders het tijdig bij gemeenten moeten aankaarten als nieuwe infrastructuur nodig blijkt. Daarnaast gaat de handreiking vrij gedetailleerd in op de verwerving van grond. Grond voor netuitbreiding of -verzwaring moet uiteindelijk in eigendom van de netbeheerder komen, maar de gemeente of provincie kan een belangrijke rol spelen bij het verkrijgen ervan, benadrukt de handreiking. Zo kunnen gemeenten eventueel de Wet voorkeursrecht gemeenten (Wvg) inzetten. Die verplicht eigenaren om een perceel waarop een voorkeursrecht is gevestigd bij verkoop eerst aan te bieden aan de overheid (de gemeente, de provincie of het Rijk), onder andere om prijsopdrijving door speculatie te voorkomen. In het uiterste geval is onteigening ook een optie. Maar bij voorkeur verandert grond ‘op minnelijke wijze’ van eigenaar.

Gemeentelijke hulp bij het verkrijgen van grond is waardevol, zeker omdat het prijskaartje van aan te kopen grond er wel degelijk toe doet voor de publieke netbeheerders. Manager Ruimtelijke Inpassing Goedhart legt uit: “Voor netbeheerders is het belangrijk om netuitbreidingen of -verzwaringen te realiseren tegen aanvaardbare maatschappelijke kosten. Een (te) hoge grondprijs maakt dat we als regionale netbeheerder langer doen over noodzakelijke grondverwerving”, zegt ze.

Menselijke factor

Bij de zoektocht naar geschikte ruimte moet de menselijke factor niet worden veronachtzaamd, benadrukte minister Jetten. “De ruimtelijke inpassing van energie-infrastructuur vraagt om zorgvuldigheid en het betrekken van mensen in de omgeving. Windturbines, hoogspanningsmasten en zonnevelden kunnen grote gevolgen hebben voor de leefomgeving, de natuur, landbouw, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en werelderfgoed, en de hinder die hierdoor kan worden ervaren kan ook langdurige gezondheidsgevolgen hebben. Het is daarom belangrijk om zorgvuldig te kijken of iets in de omgeving past door mensen in de omgeving te betrekken, om draagvlak te behouden en vertraging in de uitvoering te voorkomen”, schreef hij daarover.

Voor de netbeheerders is dat niets nieuws. Zeker in de bebouwde omgeving was de menselijke factor altijd al een aspect om terdege rekening mee te houden bij het speuren naar locaties voor netuitbreiding of -verzwaring. Dat is anno nu nog steeds zo. Goedhart: “Bij nieuwe assets in woonwijken ziet Liander nog geregeld weerstand ontstaan. Die komt dan vooral van omwonenden die niet blij zijn met bijvoorbeeld een transformatorhuisje in hun straat of buurt. Daar hebben we gezamenlijk met de gemeente de taak om mensen zo goed mogelijk mee te nemen in de plannen, duidelijk uit te leggen waarom de werkzaamheden nodig zijn en waarom ook op die plek”, vertelt ze.

Momenteel zijn we vaak lang op zoek naar locaties: gemiddeld vijf à zes jaar

Pimpen

Om omwonenden en gemeentelijke betrokkenen goed te informeren, maakt Liander regelmatig gebruik van een HoloLens – een augmented reality-bril die levensecht in beeld brengt hoe de omgeving eruitziet als bijvoorbeeld het beoogde transformatorhuisje er zou staan. “Het maakt de impact voor de omgeving direct duidelijk en concreet. Dat helpt om het proces te versnellen”, aldus Goedhart. Ook participatie speelt een rol, schetst ze. “Soms is het mogelijk dat omwonenden het trafohuisje in hun buurt pimpen, onder strikte voorwaarden en in overleg met de gemeente. Wij hebben onderzoek gedaan naar de effecten van gepimpte elektriciteitshuisjes: het blijkt dat mensen er vrolijker van worden, zich veiliger voelen én dat er minder vandalisme is.”

Ze heeft wel begrip voor de wens om te verfraaien. “De assets van netbeheerders zijn van oudsher niet de mooiste objecten. Maar daar wordt aan gewerkt. We bekijken bijvoorbeeld of en hoe trafohuisjes beter in de omgeving zijn in te passen, onder andere door beplanting aan te brengen, nestkasten toe te voegen of andere kleuren en materialen te gebruiken. Ook onderzoeken we andere mogelijkheden om trafohuisjes meer aan te passen aan de wensen van de omgeving. Dit kan op termijn resulteren in een andere vormgeving, die bijvoorbeeld beter passend is in een stedelijke omgeving.”

Hoewel het niet makkelijk is om genoeg geschikte ruimte te vinden voor energie-infrastructuur, merkt Goedhart wel dat alle betrokken partijen de urgentie ervan steeds meer onderschrijven. “Oplossingen vinden is een gezamenlijke verantwoordelijkheid. In goed overleg met provincies en gemeenten werken we er hard aan om oplossingen te vinden.”

Meer vraag

Dat Nederland meer energie-infrastructuur nodig heeft, komt niet alleen door de energietransitie. Ook het stijgende stroomverbruik vraagt om extra netinfrastructuur.