Uit Net NL#33: RES & ruimte

Tot voor kort maakten alleen experts zich druk om de ruimtelijke inpassing van de regionale energiestrategieën (RES). Inmiddels komt ruimtebeslag ook als potentieel knelpunt naar voren in de PBL-monitor over de RES’en én tonen steeds meer burgers zich bezorgd over de effecten op het Nederlandse landschap. Wat gaan de netbeheerders daarvan merken?   
Uit Net NL#33: RES & ruimte

De ruimtelijke inpassing van de regionale energiestrategieën kan weleens problematisch worden, waarschuwde landschapsarchitect Berno Strootman bij zijn afscheid als Rijksadviseur voor de Fysieke Leefomgeving eind vorig jaar. Hij toonde zich vooral bezorgd over de keerzijde van de decentrale aanpak met de RES’en, uit vrees dat elke regio ‘in zijn eigen vakje zit te puzzelen’ – aldus Strootman in een interview met De Volkskrant. “Dat wordt één grote hagelslag: een windmolen hier, een paar zonneparken daar. Het is een optelsom van plaatselijke initiatieven: een grondeigenaar die wat wil, een ontwikkelaar die daarop inspringt. Er zit geen overkoepelend idee achter.”

Volgens Strootman houdt het Rijk zich te afzijdig van de energietransitie en moet Den Haag snel de ruimtelijke regie pakken. In het Volkskrant-interview pleitte hij bijvoorbeeld voor een minister van Ruimte . “Wat doe je op land en wat op zee? Zijn er gebieden waar je geen zonnepanelen wilt, kun je concentratiegebieden voor windmolens op land aanwijzen? Windmolens moet je neerzetten waar wind is en waar ze zich verhouden tot het landschap. In de Flevopolder past dat beter dan in de Achterhoek.” 

Belevingsaspect

Veel Achterhoekers zijn dat met hem eens, bleek onlangs tijdens een online bijeenkomst over windenergie voor inwoners van de gemeente Bronckhorst. Daar gaven onder andere PhD-onderzoeker Dirk Oudes van Wageningen Universiteit en landschapsarchitect Frank Stroeken hun visie op duurzame energielandschappen. Oudes plaatste het onbehagen van de Achterhoekers in perspectief door erop te wijzen dat het Nederlandse landschap al eeuwenlang wordt beïnvloed door energiewinning – denk aan veenafgravingen, mijnbouw of traditionele molens. “En vergeet niet dat fossiele energie net zo goed landschappelijke impact heeft. Alleen komt fossiele energie voor een groot deel uit het buitenland, en is de pijn van landschapsaantasting dus ook vooral dáár voelbaar”, benadrukte hij. Landschapsarchitect Stroeken bepleitte dat grootschalige, duurzame energiewinning niet per definitie landschapspijn hoeft op te leveren. “Denk vooruit, bespreek als gemeente en bewoners samen wat de opties zijn, waar installaties en windturbines moeten komen: geclusterd op één plek om de rest van het landschap te sparen, of juist ‘eerlijk verdeeld’ over de hele gemeente? Zijn er andere landschapselementen die helpen om de turbines goed in te passen; kunnen die misschien meteen andere landschappelijke knelpunten oplossen? Het belevingsaspect is nu nogal onderbelicht in veel plannen die ik zie, terwijl dat een belangrijke factor is.” 

Achterkamertjes

Volgens Marcel Boogers, hoogleraar Innovatie en Regionaal Bestuur aan de Universiteit van Twente, wordt het hoog tijd dat de burger z’n zegje mag doen. Hij is kritisch over de manier waarop de RES’en – de ingrijpendste ruimtelijke plannen sinds jaren – tot stand zijn gekomen: via de energieregio’s die géén staatsrechtelijke grondslag en géén democratische controlemechanismen kennen. Eind 2019 schreef hij op verzoek van het landelijke programma RES een essay over de opties die de energieregio’s ter beschikking staan om basale democratische principes te borgen. Boogers vindt echter dat ze die maar matig hebben benut. “In de beginfase zag het er nog wel aardig uit wat de energieregio’s deden. Maar uiteindelijk is het energiedebat toch vooral gevoerd in achterkamertjes, door mensen die niemand vertegenwoordigen en die aan niemand verantwoording hoeven afleggen.” Het risico bestaat dat de energieregio’s die (te) dunne democratische basis later als een boemerang terugkrijgen, waarschuwt hij. “Tot nu toe is inwoners maar bar weinig gevraagd. Een recept voor veel weerstand.”

Ondoordacht lokaal beleid leidt later vaak tot hogere kosten, die dan vaak door de nationale overheid moeten worden gedragen’

Verrommeling en kosten

Weerstand is momenteel actueel in bijvoorbeeld Amsterdam en Weesp, waar bewoners protesteren tegen het IJmeer als zoekgebied voor windenergie. Als reactie daarop klonk een luidere roep om meer ruimtelijke regie, alsof daarmee de draagvlakproblemen als sneeuw voor de zon zouden verdwijnen. Dat viel ook de Utrechtse hoogleraren Edwin Buitelaar (Grond- en vastgoedontwikkeling) en Maarten Hajer (Urban Futures) op. “Ruimtelijke regie dreigt een soort duizend-dingendoekje te worden waar te pas en te onpas om wordt gevraagd”, waarschuwden ze in NRC. Ze snappen overigens wel waar die vraag vandaan komt. “De roep om nationale regie over de inrichting van Nederland komt voort uit zorgen over heel concrete problemen: de vraag naar woningen, de stikstofcrisis die het land op slot zet, de ‘verdozing’ van het landschap, de opkomst van grote datacenters, al dan niet in samenhang met windmolenparken die voor stroom moeten zorgen. Wat burgers zien verschijnen, zijn de ruimtelijke consequenties van bestuurlijke beslissingen van vijf jaar eerder. Te lang ontbrak er een strategie, en was het beleid slechts gericht op het accommoderen van wat zich aandiende”, aldus de hoogleraren. En dat zorgt niet alleen voor een verrommeling van de ruimte. “Ondoordacht lokaal beleid leidt later vaak tot hogere kosten, die dan vaak door de nationale overheid moeten worden gedragen. Denk aan het opstellen van regionale energiestrategieën zonder een van tevoren duidelijk bepaalde elektriciteitshoofdinfrastructuur, met het gevaar dat het elektriciteitsnet bepaalde decentrale keuzes niet aankan”, aldus de hoogleraren. 

Minder spraakverwarring

Buitelaar en Hajer waarschuwen dat de roep om regie vaak is gebaseerd op “een overschatting van de kennis en kunde van de Rijksoverheid en een onderschatting van wat decentrale overheden vermogen”. In dat licht is de komst van de nieuwe Omgevingswet interessant. Biedt die gemeenten extra aanknopingspunten voor de ruimtelijke aspecten van de energietransitie? Dat beeld spreekt wel uit een recent onderzoek in acht proefgemeenten. Den Haag, Tilburg, Súdwest-Fryslân, Zoeterwoude, Goes, Groningen, Boxtel en Maastricht gingen aan de slag met hun eigen ambities rond de energietransitie en keken hoe de instrumenten van de Omgevingswet zich daarvoor leenden. Uit het mede door TNO opgestelde eindrapport, ‘De energietransitie versnellen met de Omgevingswet’, rijst een behoorlijk optimistisch beeld. Volgens het rapport moeten de werelden van energietransitie en Omgevingswet/ruimtelijke ordening elkaar weliswaar nog veel beter leren kennen, maar hebben de pilots er in ieder geval voor gezorgd dat de samenwerking tussen duurzaamheid en ruimtelijke ordening is gestart dan wel geïntensiveerd. Ook worden er stappen gezet om een gemeenschappelijke taal te ontwikkelen, zodat het risico van een Babylonische spraakverwarring aanzienlijk vermindert, merkte Tilburg. 

Meer dan NIMBY

In het RES-proces is inmiddels de periode aangebroken van overleg en inspraak, omdat de regionale energiestrategieën binnenkort geconcretiseerd moeten worden in 1.0-versies: waar precies komen de zonnepanelen, windturbines en energie-infrastructuur die nodig zijn om de RES-doelen te halen? Dat de energieregio’s daarbij op weerstand stuiten, verbaast het Nationaal Programma RES niet. “Een NIMBY-reflex was te verwachten”, aldus directeur Kristel Lammers begin dit jaar in de Volkskrant. Maar is not in my backyard wel een kloppende verklaring voor de weerstand; gaan de emoties primair om de eigen leefomgeving? Of speelt een veel bredere bezorgdheid, namelijk het angstbeeld dat de energietransitie het totale Nederlandse landschap grondig verpest? 

Zorgen en draagvlak

De zorg dat straks nergens in Nederland meer een plek is waar je geen hectaren grote zonneparken ziet, of honderden meters hoge windturbines die boven alles uittorenen – het doemscenario van scheidend Rijksadviseur Strootman – heeft een niet te onderschatten invloed op het draagvlak voor de energietransitie. En dat raakt óók de vele netversterkingsprojecten die de netbeheerders de komende jaren op stapel hebben staan. Nu al is de zoektocht naar grond voor nieuwe verbindingen, schakelstations en transformatorhuisjes, plus de bijbehorende vergunningentrajecten, de grootste tijdvreter voor netversterkingsprojecten. Dat wordt er niet beter op als het draagvlak voor de energietransitie zou afkalven door een desastreuze invloed op het landschap en de leefomgeving. Het is kortom ook in het belang van de netbeheerders dat de ruimtelijke inpassing van de energietransitie goed verloopt. Met of zonder minister van Ruimte: er ligt een schone taak voor het nieuwe kabinet op dit punt. 

Aanmelden NetNL

Graag wil ik het magazine Net NL ontvangen op het volgende adres: