Uit Net NL#32: ‘Het glas is halfvol, maar we zijn er nog lang niet’

Na een jaar hard werken en wat coronavertraging hebben de RES-regio’s op 1 oktober hun ‘concept-RES’ ingediend. Welk totaalplaatje levert dat op, hoe compleet is het beeld, waar zijn verbeteringen mogelijk en vooral: hoe moet het nu verder? Net NL vroeg het professor André Faaij en netbeheer-liaison Harm Luisman.

Uit Net NL#32: ‘Het glas is halfvol, maar we zijn er nog lang niet’
Om alle beoogde opwek te kunnen aansluiten, moeten tot 2030 jaarlijks 12 nieuwe elektriciteitsstations worden gebouwd. Door systeem­efficiëntie kan dit aantal verlaagd worden naar 6

De concept-RES’en zijn opgeleverd. Blij mee?

André Faaij, wetenschappelijk directeur TNO Energietransitie en hoogleraar energiesysteemanalyse aan de Rijksuniversiteit Groningen: “De RES'en zijn een eerste exercitie waar we veel van leren; ik ben er positief over. Met name de regionale ruimtelijke planning, waar kan wat, is belangrijk in het proces. Deze eerste versie zullen we voortdurend moeten updaten met steeds betere informatie: goede, wetenschappelijk geverifieerde tools die zichtbaar maken wat de implicaties zijn van keuzes voor kosten, ruimte en duurzaamheid. En die ook laten zien of lokale plannen wel of niet goed aansluiten bij nationale ontwikkeling.”

Harm Luisman, liaison voor Netbeheer Nederland bij het Nationaal Programma RES: “Als netbeheerders zijn we onder de indruk van de puzzel die nu voor het eerst wordt gelegd op deze schaal, in een samenwerking van alle betrokken besturen. Ik heb daar grote waardering voor; ruim een jaar geleden had niemand gedacht dat de regio’s zo ver zouden komen. Maar we zijn er nog lang niet; er is veel meer verfijning nodig. Het glas is dus halfvol.”

Er is ook kritiek: deze RES’en beslaan maar een beperkt deel van het energiesysteem.

Faaij: “Dat klopt. De nadruk bij de RES’en ligt op het elektriciteitssysteem, terwijl stroom op dit moment maar een derde is van de totale energievraag. De rest bestaat uit warmte, brandstoffen voor transport en mobiliteit. Toch leveren de RES’en een belangrijk stuk van het totaalplaatje: ze laten zien wat specifieke, lokale mogelijkheden zijn.”

Luisman: “Ik vind het logisch dat daar nu vragen over komen. Bij het Klimaatakkoord werd gedacht dat het te complex was om alles in samenhang aan te pakken. Nu wordt duidelijk dat juist opknippen de puzzel alleen maar complexer maakt. Maar we kunnen nu wel lering trekken uit deze RES-aanpak voor de andere sectoren.”

Wat vinden jullie van de eerste resultaten?

Faaij: “De zware inzet op zon verstoort de balans; dan is extra veel infrastructuur nodig om de pieken en dalen op te vangen. Tegelijk is het begrijpelijk dat wind op land nu niet erg populair is. Een windturbine van 8 MW in je achtertuin is wel een dingetje. Door het jaar zijn wind en zon behoorlijk complementair, waardoor de kabel voor een zonnepark veel beter benut wordt als er ook een windturbine in de buurt staat. Geothermie komt in de RES’en weinig voor, maar kan wel een stevige bijdrage leveren aan de warmtetransitie in een aantal provincies. In de RES’en is de netimpact nog niet gekoppeld aan de warmtevoorziening, terwijl dat juist kan helpen om investering in netten te voorkomen. Heb je te veel stroom in de zomer, dan maak je daar extra warmte van die je voor een seizoen opslaat in waterlagen. In de winter dempt dat de piek in de warmtevraag weer. Zo is vraag en aanbod lokaal en regionaal beter te balanceren.”

Luisman: “Netbeheerders hebben het afgelopen jaar zo veel mogelijk in beeld gebracht wat de impact is op het elektriciteitsnet van keuzes die RES-regio’s maken. Wat kan snel tegen lage kosten? Wat vraagt ingrijpender en duurdere aanpassing? Bij enkele regio’s kon dat niet; hun plannen waren nog onvoldoende concreet. Bij meer uitgewerkte plannen zijn de kosten en de gevolgen voor de ruimte goed in beeld te brengen. Inschatten of aanpassingen te realiseren zijn voor 2030 is vaak lastig. Als regio’s volledig systeemefficiënt plannen zouden inrichten, moeten we hard werken, maar krijgen we het wel aangesloten voor 2030. Zijn de keuzen echter veel minder efficiënt, dan wordt dit moeilijk. Veel regio’s komen uit op decentrale opwek met energie uit zon. Windenergie kan met drie- tot viermaal minder kabels en netcapaciteit af dan opwek uit zon. Het is dus zaak om zon en wind slim te combineren. Of andere oplossingen in het systeem toe te voegen zoals opslag.”

De RES’en vergen een investering in infrastructuur van ten minste 2,4 miljard euro. Door het net efficiënter te benutten, valt hierop ruim 60% te besparen

Hoe verklaren jullie die overdadige voorkeur voor zon?

Faaij: “Bestuurders van provincies, gemeenten en waterschappen hebben niet de specialistische kennis van het complete energiesysteem – logisch. Maar in dit proces moeten de netbeheerders dat nu oplossen, en dat is wel een beetje gek. We zien nu waarom het belangrijk is om meer regie te voeren op de energietransitie, want als elke regio een eigen elektriciteitssysteem gaat inregelen, wordt de optelsom daarvan een heel kostbare zaak. In het energiesysteem voor 2040 moeten alle opties benut worden om 70 of 80% duurzame stroom te genereren, dan bestaat de luxe niet meer om opties te schrappen. Andere kant van de zaak is dat je vanuit een relatief kleine schaal nooit overzicht hebt van wat er in het totale energiesysteem allemaal in beweging komt. De techniek verandert, regelgeving, de centrale energievoorziening gaat bewegen, we krijgen meer ervaring met implementatie. Dat maakt aanpassingen goedkoper. Het is dus ook zaak om je plannen continu te vernieuwen. Deze RES’en zijn een goede stap, maar het zijn geen blauwdrukken voor de komende dertig jaar.”

Luisman: “Er is een enorme stap gezet in de regio’s, maar je mag niet verwachten dat het allemaal direct optimaal verloopt. Natuurlijk was het mooi geweest als de plannen meer gericht waren op netefficiëntie. Dus daar gaan wij nu meer handreikingen voor bieden. Provinciebestuurders en wethouders zijn goed thuis in ruimtelijke ordening en draagvlak, maar efficiënt netbeheer is vaak een nieuw onderwerp. Netbeheerders kunnen de consequenties van de plannen scherp in beeld brengen. En dan zal duidelijk worden dat sommige keuzes van de regio's ervoor kunnen zorgen dat we niet alles voor 2030 kunnen aanleggen. Ik vind het erg belangrijk dat we als maatschappij daarin dan keuzes maken, zodat we een democratische legitimering krijgen voor alle aanpassingen die nodig zijn. Soms moeten we daarvoor een marktpartij, een ontwikkelaar of industrieën aanzetten om een rol te pakken. Ook dat proces moeten we gaandeweg ontdekken. Het mooie aan deze plannen is dat ze niet vanuit Den Haag zijn opgelegd. We maken ze in de regio, met de lokale besturen, op basis van de landelijk afgesproken kaders.”

Wat kunnen we leren van het proces tot nu toe, wat kan er beter?

Luisman: “We kunnen dit alleen goed doen als we naar het integrale energiesysteem kijken en dus ook de ontbrekende sectoren meenemen, industrie en mobiliteit. De gemeenten maken straks hun Warmtetransitieplan. Kiezen ze dan voor groen gas – dat we nog onvoldoende produceren - warmtenetten of warmtepompen die het elektriciteitsnet belasten? Om goede afwegingen te maken zou je dat nu al willen weten, in een energiesysteem is nou eenmaal alles met elkaar verbonden. Die veranderingen moeten we dus integraal in beeld brengen, zowel landelijk als regionaal. Daarnaast moeten de plannen uiteindelijk concreter ingevuld worden en meer zekerheid gaan bieden. Sommige regio’s hebben locaties voor wind aangewezen, Zeeland bijvoorbeeld. Andere regio’s wijzen zoekgebieden aan of spreken alleen een ambitie uit. Zolang dat onduidelijk blijft, zal ook de situatie in de gebieden met transportschaarste niet beter worden richting 2030.”

Faaij: “Het is inderdaad essentieel om, ook lokaal, naar het integrale plaatje te kijken. Daarvoor is enorm veel informatie nodig; zelfs voor specialisten is dat hoogstaand werk. Maar alleen zo maak je duidelijk wat de mogelijkheden zijn. Zonder overzicht maak je fouten en krijg je zwaar suboptimale oplossingen. Met TNO hebben we onlangs een gedetailleerde analyse gepubliceerd die laat zien dat de transitiedoelen haalbaar zijn tegen een aantrekkelijk kostenniveau – ook politiek belangrijk. Randvoorwaarde: blijf sterk inzetten op innovatie om de kosten van techniek steeds verder te drukken. Daarmee kan de prijs van groene stroom de komende decennia halveren. Wat we met de prijs van zon, wind, batterijen en elektrische auto’s zagen, gaan we op veel meer terreinen zien. Als je investeringen tien – en soms meer – jaren vooruit plant, kun je betere methoden en technieken ontwikkelen, kan de bouwsector opschalen en de installatiesector zich voorbereiden. En daardoor dalen de kosten. Om die voordelen te halen moet je goed plannen en regie voeren. Daarmee wordt de energietransitie rendabel. We hebben laten zien dat dat echt goed mogelijk is.”

Wat zijn de eerstvolgende stappen om te zetten?

Luisman: “Netbeheerders werken nu gezamenlijk aan een analyse waarin we laten zien hoe het systeem efficiënter kan worden ingericht. De mogelijke winst loopt op tot 60% van de totaal benodigde investeringen, zowel qua kosten als in ruimtebeslag. En dat brengt natuurlijk aanzienlijke tijdwinst met zich mee bij de bouw van extra elektriciteitsstations (zie kader).

De plannen moeten zo concreet worden dat we op regionaal schaalniveau weten welke infrastructuuraanpassingen nodig zijn. Na oplevering van de RES’en op 1 juli 2021 kunnen ze dan direct vertaald worden naar ruimtelijk beleid. Vervolgens kunnen we met overheden de bouwvoorbereidingen, vergunningen en bouw versnellen. Dat geeft ook direct duidelijkheid aan marktpartijen en andere belanghebbenden.”

Faaij: “Het is niet erg dat je nu niet alles weet, maar zorg ervoor dat je straks goed geïnformeerd besluiten kunt nemen. Daarmee lijk ik de wetenschapper die pleit voor meer onderzoek, maar ik vind dat je parallel moet werken: doe onderzoek en analyseer om optimaal te kunnen plannen. Dat kost tijd. En in de tussentijd kunnen we direct volop aan de slag met no regret-klussen; werk dat we toch moeten doen. Woningen renoveren, industrie aanzetten om processen in te richten waarmee ze pieken in het net kunnen opvangen, wind op zee, massaal zon op daken, elektrische auto’s. Terwijl we dat doen, halen we doelen dichterbij en hebben we tijd om de volgende stappen goed te plannen. Daarmee kunnen we miljarden besparen.”

Hoe kunnen netbeheerders en wetenschappers die vervolgstappen makkelijker maken?

Luisman: “We hebben een gigantische slag gemaakt en kunnen inzicht geven in de consequenties van regionale keuzen op het net. We hebben tools gebouwd waarin ontwikkelingen van alle sectoren tot 2050 worden meegenomen. In deze analyse kunnen we steeds nieuwe informatie van sectorontwikkelingen meenemen, bijvoorbeeld uit een RES, en zo telkens scherp inzicht geven in consequenties van keuzen. De regio’s en Nationaal Programma RES hebben laten zien dat het lukt om stappen te zetten. Mede daarom pleit ik ervoor om deze aanpak te kopiëren naar de andere sectoren, zodat daar ook meer helderheid komt in plannen en consequenties van gemaakte keuzen. Dat helpt om steeds meer integrale afwegingen te maken tussen alle belangen en sectorale ontwikkelingen.”

Faaij: “Bij TNO investeren we in tooling die zichtbaar maakt wat de implicaties zijn van besluiten in de transitie op velerlei gebieden: kosten, effecten op het milieu, banen in de regio. Op nationaal niveau zijn ze gekoppeld aan Europese modellen en we voeden ze voortdurend met de meest actuele informatie, over kosten, maar ook over relevante technische ontwikkelingen. We werken al samen met een aantal regio’s, maar het zou goed zijn als de Rijksoverheid gebruikmaakt van gestandaardiseerde tooling. Een scherp beeld van de maatschappelijke consequenties van keuzes geeft de mogelijkheid om de dialoog in de regio echt goed te voeren. Soms is het goedkoper een plan vijf jaar later uit te voeren. Zo krijg je een rationele, goed geïnformeerde onderbouwing.”

Aanmelden NetNL

Graag wil ik het magazine Net NL ontvangen op het volgende adres: